Landgoed Java Indonesië

LANDGOED UDJUNG MANIK

JAVA INDONESIË

Vier generaties na Charles, op 15 juli 1940 werd Johan geboren in Cilacap, Java. Op het landgoed Udjung Manik. Hij werd katholiek gedoopt, zoals gebruikelijk. De familie Etty was destijds nog steeds zeer welgesteld. De zaken gingen goed. Zijn vader, Willem Frederik en zijn vrouw ‘mammie’ Sukartina kregen vier zoons: Johnny, Matthew, Johan (Joe) en Weghan.

Willem was naast eigenaar van de copra- en koffieonderneming, ook vrijwilliger bij de brandwacht. Het landgoed was nagenoeg 110 hectare groot. Tot 1942 was het gezin gelukkig en gezond, maar toen kwam de Tweede Wereldoorlog ook naar Nederlands-Indië. Het Japanse leger bezette het hele land.

Gelijk aan het begin van de oorlog werd het huis door de Japanners platgebombardeerd. Ineens werd alles anders. Gescheiden van zijn moeder, maar samen met oma Moina, vader Willem en zijn broers, gingen zij noodgedwongen naar Dessa Placen. Na vier onrustige dagen konden zij terug keren naar Cilacap. De woning op het landgoed was echter geheel verwoest. Een goede vriendin, mevrouw Hankie, bood hen onderdak. Ze verbleven daar in een open schuur, zonder bedden of meubels. Bovenstaande heeft mijn vader me nooit verteld, ik heb het gelezen in documenten die hij hierover zelf heeft geschreven.

Op een kwade dag is vader Willem bruut met geweerkolf neergeslagen en afgevoerd naar een Jappenkamp. De oudste broer van mijn vader, Johnny, nam de verantwoordelijkheid op zich en ging werken waardoor hij steeds een maaltje vis kreeg. Alles werd gedeeld, ook al was het weinig. Ze waren toen niet ziek maar hadden altijd honger. Mijn vader vertelde me dat zijn vader Willem in het Jappenkamp gedwongen werkte als bediende voor de officieren. Toen er op een dag iets viel, werd een Japanse officier zo boos dat hij heet water in de keel van Willem goot. Daarna heeft hij nooit meer veel gesproken.

Na de capitulatie van de Japanners op 17 augustus 1945 keerde vader Willem terug van gevangenschap. Oma Moina was, helaas, inmiddels overleden aan Beriberi. Mijn vader heeft me vaker liefdevol verteld dat oma Moina al die tijd voor de kinderen had gezorgd.

Ik schrijf dit op in het jaar dat wij in Nederland 75 jaar bevrijding vieren. Voor Nederland was de oorlog toen over. Maar in Indonesië brak de zogenaamde Bersiaptijd aan, de nationalistische leiders Soekarno en Hatta riepen een onafhankelijke Republiek Indonesië uit. Opnieuw een extreem roerige tijd vol geweld. Ditmaal was het een strijd tussen de Indonesiërs en de voormalige Hollandse bezetters. In de straten werd ‘Merdeka’ geroepen. Overal werd hard gevochten met elk denkbaar handwapen, gemoord en geplunderd. Dekolonisatie was begonnen. De nationalisten hadden vader Willem en zijn vier zonen opgepakt en afgevoerd per trein naar het kamp Bodjong en daarna kamp Klampok in Purwokerto. De jonge Johan heeft daarna zijn moeder nooit meer gezien. Hij zegt daarover: “ik was vijf toen ik het kamp inging, ik heb daarna nooit meer mammie tegen haar kunnen zeggen”.

De vier broers werden gescheiden van hun vader in een vrouwenkamp opgesloten. In het kamp zochten de jongens van elf, zes, vijf en drie jaar elk een hoekje uit. Het enige wat ze kregen, was een deken om op te slapen. Verder bezaten ze alleen wat ze aan hadden. Mijn vader schrijft: “Het eten werd aangevoerd in een vrachtauto in grote tonnen. Ieder moest in de rij staan om een schep eten uit de ton te pakken”. Johan moest de tonnen daarna schoon maken en kwam zo aan extra eten. Hij deelde dat dan wel altijd met zijn broers.

De broers hadden in die tijd altijd honger. Matthew zag op een dag dat net buiten het hek groenten groeide, een soort spinazie. Het was ten strengste verboden, maar hij kroop door het hek en plukte wat van de groenten. Hij en zijn vriend warmden het op in een oud blik. Maar ze liepen beide vergiftiging op en werden ernstig ziek. Zijn vriend is daaraan overleden. Ook hadden de broers, net als vele anderen in het kamp, last van diarree (beriberi). Het werd zo erg dat de jongste broer Weghan aan een paal werd vastgebonden als hij de hele barak onder poepte. De broers deden er alles aan om te overleven. Johnny, was toen elf jaar oud en nam meer en meer de rol van vader aan.

Het kamp werd bewaakt door gewapende Indonesiërs, de nationalisten. Een ander heftig voorval was, dat een vriend van Johan wilde kijken door een afdekking, maar dat had men verboden. Als straf werden zijn ogen met een bajonet uitgestoken. Weer een voorbeeld van de dagelijkse gruwelijkheden in het kamp.

Het enige wat Johan nog had van zijn vader was een wit overhemd. Hij rook eraan als hij heimwee had. Het overhemd nam hij overal mee naartoe.

Wat heeft Johan, Joe Etty, een kracht geput uit zijn jonge levensjaren. De negatieve omstandigheden omdraaien naar positief. daar was hij zo goed in!